Content zoeken
Welkom bij het tentamen van de eerste module! Je hebt inmiddels veel kennis opgedaan, en we hopen dat je ook actief met die kennis aan de slag bent geweest voordat je deze toets gaat maken. Dit betekent dat je gewerkt hebt met de verschillende opdrachten en de stof actief hebt herhaald.
Deze toets is bedoeld om te testen of je theoretische fundament stevig staat. In de komende hoofdstukken komt nog meer theorie aan bod, maar minder uitgebreid dan wat je tot nu toe behandeld hebt. Bovendien bouwen de volgende hoofdstukken voort op de basis die je hier legt. Daarom is het essentieel dat je de stof goed beheerst. Een sterk theoretisch fundament geeft je namelijk de beste uitgangspositie om in de praktijk doordachte keuzes te maken.
Je hebt 90 minuten de tijd om deze toets te maken. Dit is ruim voldoende om de vragen rustig door te lezen, goed te beantwoorden en je antwoorden nog eens na te kijken. De toets bevat meerkeuzevragen die variëren in moeilijkheid: van kennisvragen tot vragen waarbij je inzicht en toepassing moet laten zien.
Om te slagen voor deze toets, moet je minimaal 80% van de vragen correct beantwoorden. Dit betekent dat je niet alleen de basiskennis moet beheersen, maar ook in staat moet zijn om deze kennis toe te passen en complexe vraagstukken te doorgronden.
We hanteren de volgende beoordelingsnormen:
<70%: Bij een score onder de 70% raden we je aan om de leerstof opnieuw te bekijken en gericht te werken aan de onderwerpen waar je fouten hebt gemaakt. Bespreek eventuele vragen of onduidelijkheden met je coach of docent.
70%-80%: Een score tussen de 70% en 80% geeft aan dat je de basiskennis redelijk beheerst, maar dat je nog extra oefening nodig hebt om je begrip en toepassing te versterken. Focus vooral op de vragen waar je fout scoorde, en werk gericht aan het verbeteren van deze onderdelen.
≥80%: Met een score van 80% of hoger laat je zien dat je de stof goed beheerst en klaar bent om deze kennis in de praktijk toe te passen. Dit is een uitstekende score en een solide basis om op verder te bouwen.
Neem de tijd om de vragen zorgvuldig door te lezen en je antwoorden weloverwogen te kiezen. Dit tentamen is niet alleen een toetsmoment, maar ook een kans om inzicht te krijgen in wat je al goed beheerst en waar je nog aan kunt werken.
Succes!
Start hieronder met de quiz.
Let op: de resultaten worden niet opgeslagen in jouw online leeromgeving, dus maak eventueel zelf notities van je resultaten en antwoorden.
De les is nog niet vrijgegeven. Op de opleidingspagina kun je zien wanneer welke les beschikbaar komt in de leeromgeving. Meestal zo’n 3 weken voor de bijbehorende praktijkles.
0 of 69 Vragen completed
Vragen:
Je hebt de quiz al eerder voltooid. Daarom kun je hem niet meer opnieuw starten.
Quiz is aan het laden…
Je moet inloggen of inschrijven om de quiz te starten.
U moet eerst het volgende invullen:
0 van de 69 Vragen zijn goed beantwoord
Uw tijd:
De tijd is verstreken
You have reached 0 of 0 point(s), (0)
Behaalde punt(en): 0 of 0, (0)
0 verslag(en) in afwachting (mogelijke punt(en): 0)
Je hebt helaas nog niet voldoende vragen goed. Bestudeer de lesstof nog eens en probeer het opnieuw. Je kunt het tentamen 1 keer herkansen.
Je bent geslaagd! Bekijk welke vragen je fout hebt, zodat je alle stof helemaal begrijpt. Goed gedaan!
Je bent geslaagd met een 100% score! Lekker bezig!
1. Wat is de belangrijkste functie van weefsels in het menselijk lichaam?
2. Wat is de belangrijkste functie van het zenuwstelsel?
3. Wat doet het sympathisch zenuwstelsel?
4. Welke interactie beschrijft de samenwerking tussen het spijsverteringsstelsel en het zenuwstelsel het best?
5. Wat gebeurt er bij een overactief sympathisch zenuwstelsel?
6. Wat is de rol van mitochondriën in spieren?
7. Een cliënt ervaart chronische stress. Welke systemen hebben hier waarschijnlijk last van?
8. Wat is metabolisme?
9. Welke voedingsstof wordt primair opgeslagen als glycogeen?
10. Waarom is ATP belangrijk voor het lichaam?
11. Welke energiebron gebruikt het lichaam vooral tijdens lage-intensiteit inspanning?
12. Waarom heeft het lichaam vetten als energiebron nodig?
13. Wat is het belangrijkste voordeel van glucose als energiebron?
14. Waarom schakelt het lichaam over op vetverbranding bij langere inspanningen?
15. Hoe kun je insulinegevoeligheid verbeteren?
16. Hoe speelt voeding een rol bij energieproductie?
17. Wat betekent energiebalans?
18. Welke van de volgende factoren heeft het grootste aandeel in het totale dagelijkse energieverbruik?
19. Welke macronutriënt heeft het hoogste thermisch effect?
20. Wat gebeurt er met overtollige energie die niet wordt verbruikt?
21. Wat is NEAT (Non-Exercise Activity Thermogenesis)?
22. Waarom leidt een chronisch slaaptekort tot gewichtstoename?
23. Welke factor draagt het meeste bij aan leptineresistentie?
24. Waarom hebben eiwitten een gunstig effect op gewichtsverlies?
25. Wat is de meest effectieve strategie om het energieverbruik bij een cliënt te verhogen?
26. Waarom is het belangrijk om een calorietekort gecontroleerd en langzaam toe te passen?
27. Wat is het directe effect van training op de energiebalans?
28. Hoe beïnvloedt fysieke activiteit het honger- en verzadigingssysteem positief?
29. Waarom is slaap belangrijk voor het behoud van spiermassa in een calorietekort?
30. Hoe ondersteunt krachttraining het behoud van spiermassa tijdens een calorietekort?
31. Een cliënt wil duidelijk de nadruk leggen op het winnen van kracht. Welke trainingsparameters pas je toe?
32. Wat is het meest effectieve trainingsprogramma voor een cliënt die vet wil verliezen zonder spiermassa te verliezen?
33. Welke macronutriënten zijn essentieel?
34. Welke functie vervullen omega-3-vetzuren voornamelijk in het lichaam?
35. Wat gebeurt er als de glycogeenvoorraden vol zijn en er nog steeds een calorie-overschot is?
36. Welke van de volgende alcoholgerelateerde processen kan leiden tot een verhoogde vetopslag?
37. Waarom hebben eiwitten een hoog verzadigend effect?
38. Wat is het verschil tussen simpele en complexe koolhydraten?
39. Hoe kan een onevenwichtige verhouding tussen omega-6 en omega-3 vetzuren bijdragen aan chronische ontstekingen?
40. Een cliënt volgt een dieet met een vetinname van 0,5 g/kg lichaamsgewicht. Wat kan een mogelijke impact zijn?
41. Een cliënt wil zijn omega-3-inname verhogen. Welke voedingskeuze is het meest geschikt?
42. Hoe kan alcoholconsumptie indirect bijdragen aan gewichtstoename?
43. Wat is een belangrijk kenmerk van wateroplosbare vitamines zoals vitamine B en C?
44. Waarom is het eten van volwaardige, minimaal bewerkte voeding belangrijk voor de micronutriëntenbalans?
45. Een cliënt heeft moeite om voldoende micronutriënten binnen te krijgen omdat hij vooral sterk bewerkte voedingsmiddelen eet. Wat adviseer je hem als eerste stap?
46. Wat is een belangrijk signaal van uitdroging?
47. Hoeveel vocht heeft een volwassene gemiddeld nodig op een dag, inclusief vocht uit voeding?
48. Waarom kan alleen drinken op basis van dorst niet altijd voldoende zijn om de vochtbalans op peil te houden?
49. Wat gebeurt er met het lichaam wanneer het vochtverlies 2% van het lichaamsgewicht overschrijdt?
50. Een cliënt traint intensief en drinkt alleen water tijdens langdurige inspanning in een warme omgeving. Waar moet hij rekening mee houden om problemen te voorkomen?
51. Een cliënt klaagt over hoofdpijn en vermoeidheid, en geeft aan weinig te drinken op dagen dat hij geen dorst heeft. Wat adviseer je?
52. Wat is volgens onderzoek de voornaamste reden dat veel mensen voedingssupplementen gebruiken?
53. Wat maakt subklinische tekorten moeilijk te herkennen?
54. Een veganistische cliënt vraagt naar manieren om voldoende vitamine B12 binnen te krijgen. Wat is de meest effectieve oplossing?
55. Wat wordt bedoeld met een obesogene omgeving?
56. Wat is een kernprincipe van de Sociale Cognitieve Theorie (SCT)?
57. Hoe kunnen sociale normen een negatieve invloed hebben op voedingsgedrag?
58. Waarom is zelfeffectiviteit een belangrijk concept in gedragsverandering?
59. Een cliënt voelt zich ontmoedigd door het ongezonde eetgedrag van zijn vrienden. Hoe kun je volgens de SCT dit probleem aanpakken?
60. Je werkt in een buurt met weinig toegang tot gezonde voeding en bewegingsmogelijkheden. Wat is een effectieve interventie?
61. Wat zijn de drie basisbehoeften binnen de Zelfdeterminatietheorie (SDT)?
62. Welke factor wordt vaak genoemd als een beperking van zelfrapportage?
63. Wat is een kenmerk van emotionele honger in tegenstelling tot fysieke honger?
64. Hoe kan het ondersteunen van autonomie bijdragen aan duurzame gedragsverandering?
65. Waarom is het combineren van zelfrapportage met objectieve meetmethoden effectief?
66. Wat is een belangrijk doel van het gebruik van reflectieve vragen bij cliënten die emotioneel eten?
67. Een cliënt voelt zich vaak gestrest en grijpt naar snacks. Welke interventie kun je voorstellen om hiermee om te gaan?
68. Tijdens een intake geeft een cliënt aan vaak “terug te vallen” in ongezond eetgedrag na een stressvolle dag. Welke strategie is het meest passend?
69. Een cliënt heeft moeite om onderscheid te maken tussen fysieke en emotionele honger. Welke aanpak kan helpen?
