In dit hoofdstuk komen 6 metaskills aan bod:
Veel van deze vaardigheden zijn gedeeltelijk besproken of aangestipt in module 1: Sociale omgeving en psychologie (1.3). Als je merkt dat je verdieping zoekt of meer context nodig hebt, kun je daar terecht.
We gaan nu elke vaardigheid doornemen en van context voorzien, zodat je begrijpt waarom de vaardigheid belangrijk is en hoe je deze kunt toepassen tijdens je coachingsgesprekken.
Een flexibele mindset is het vermogen om effectief met veranderingen, obstakels en nieuwe situaties om te gaan door veerkrachtig en oplossingsgericht te blijven. Dit omvat cognitieve flexibiliteit (het kunnen schakelen tussen verschillende perspectieven), emotionele veerkracht (het reguleren van emoties in moeilijke situaties) en een groeimindset (het geloof dat vaardigheden ontwikkeld kunnen worden).
De groeimindset-theorie van Dweck (2006) benadrukt dat het geloof in ontwikkelbaarheid van vaardigheden cruciaal is, maar een flexibele mindset reikt verder. Zo benadrukt Acceptance and Commitment Therapy (ACT) dat het accepteren van ongemak en het handelen volgens kernwaarden essentieel zijn voor persoonlijke groei (Hayes et al., 2006). Ook cognitieve flexibiliteit – het vermogen om tussen verschillende ideeën of perspectieven te schakelen – blijkt een belangrijke voorspeller van veerkracht en het effectief omgaan met stressvolle situaties (Cheng et al., 2014; Gabrys et al., 2018).
Uit een meta-analyse van Cheng et al. (2014) blijkt dat cognitieve flexibiliteit bijdraagt aan het ontwikkelen van effectieve oplossingsstrategieën en stresshantering. ACT-interventies zijn bewezen effectief in het versterken van veerkracht en flexibiliteit bij gedragsverandering (A-Tjak et al., 2015). Het onderzoek van Dweck naar groeimindset laat zien dat deze instelling leidt tot betere prestaties en meer doorzettingsvermogen (Dweck, 2006).
Acceptance and Commitment Therapy (ACT) is een wetenschappelijk onderbouwde methode die cliënten helpt om negatieve gedachten en emoties te accepteren in plaats van te vermijden, en zich te richten op gedrag dat aansluit bij hun kernwaarden. De kernprocessen van ACT bestaan uit defusie (loskomen van gedachten en emoties), aanwezig zijn (mindful in het moment blijven), acceptatie (ruimte maken voor ongemak in plaats van ertegen vechten), toewijding (actie ondernemen vanuit waarden), waarden (ontdekken wat écht belangrijk is) en zelf als context (jezelf zien als observerend geheel, niet als je gedachten of emoties). Meta-analyses tonen aan dat ACT effectief is in het verbeteren van veerkracht, psychologisch welzijn en duurzame gedragsverandering, vooral in situaties van stress en tegenslag (Hayes et al., 2006; A-Tjak et al., 2015)
Terugval is een normaal onderdeel van gedragsverandering en biedt kansen voor groei als je er constructief mee omgaat. Het Relapse Prevention Model (Marlatt & Gordon, 1985) benadrukt het belang van het herkennen van risicosituaties en het ontwikkelen van copingstrategieën. Een cruciaal concept hierbij is het ‘Abstinence violation effect’ (AVE) – het perfectionistische alles-of-niets denken.
Maar door terugval te zien als een leermoment, kunnen cliënten sneller terugkeren naar gewenst gedrag en hun veerkracht versterken (Shiffman et al., 2000). Dit helpt de bovenste route (zie afbeelding) te kiezen: we leren effectief omgaan met uitdagende situaties, wat ons zelfvertrouwen en zelfeffectiviteit vergroot. Het resultaat is dat we steeds bekwamer worden in het hanteren van uitdagingen.
| 1. Risicosituaties identificeren | Help cliënten risicosituaties te herkennen door samen sociale druk, stress en omgevingsfactoren in kaart te brengen die tot terugval kunnen leiden. Stel gerichte vragen, zoals: • Welke situaties maken het lastig voor jou om gezonde keuzes te maken? • Wat gaat er meestal vooraf aan een terugval in oude gewoonten? • Zijn er specifieke mensen, plekken of momenten van de dag die je gedrag uitdagen? • Hoe reageer je op stress of emotionele belasting? |
| 2. Ontwikkelen van copingstrategieën | Help cliënten concrete alternatieven te ontwikkelen voor risicovol gedrag. Bijvoorbeeld: een wandeling maken wanneer de neiging tot emotioneel eten opkomt. |
| 3. Terugval ‘reframen’ als leermoment | Benader terugval als een waardevol moment om gedragspatronen te doorgronden. Stel de vraag: “Wat kun je uit deze situatie leren?” |
| 4. Gebruik van implementatie-intenties | Stel samen concrete “als…dan”-plannen op, zoals: “Als ik trek krijg in snacks, dan drink ik eerst een glas water. |
| 1. Simulaties en rollenspellen | Oefen specifieke risicosituaties en help cliënten hun copingstrategieën praktisch toe te passen. |
| 2. Dagboek bijhouden | Laat cliënten hun triggers en reflecties systematisch vastleggen voor dieper inzicht in hun gedrag en patronen. |
| 3. Motiverende reminders | Plaats strategische visuele herinneringen of affirmaties, zoals motiverende post-its, op plekken waar terugval regelmatig voorkomt. |
Zelfcompassie, zoals Neff (2003) definieert, rust op drie pijlers: vriendelijkheid naar jezelf, mindfulness en erkenning van gedeelde menselijkheid. Onderzoek laat zien dat zelfcompassie leidt tot minder stress en zelfkritiek, terwijl het duurzame gedragsverandering bevordert (MacBeth & Gumley, 2012). Ferrari et al. (2019) tonen aan dat oefeningen in zelfcompassie het psychologisch welzijn effectief verbeteren.
| 1. Zelfcompassie-oefeningen | Vraag cliënten om op te schrijven of te vertellen wat ze tegen een goede vriend zouden zeggen in een vergelijkbare situatie, en help hen dit vervolgens op zichzelf toe te passen. |
| 2. Mindfulness integreren | Introduceer korte, gerichte meditaties die zelfcompassie en niet-oordelend bewustzijn bevorderen. |
| 3. Herformuleren van zelfkritiek | Help cliënten om negatieve gedachten te vervangen door compassievolle alternatieven, bijvoorbeeld: “Ik leer van mijn fouten.” |
Cognitieve herstructurering, een belangrijk onderdeel van cognitieve gedragstherapie (CGT), helpt mensen om negatieve gedachten te vervangen door constructieve perspectieven. Deze aanpak versterkt zowel motivatie als veerkracht. Onderzoek bevestigt dat deze techniek effectief bijdraagt aan een beter welzijn en duurzame gedragsverandering (Hofmann et al., 2012).
| 1. Uitdagen van negatieve gedachten | Pas het ABC-model toe (Activating event, Belief, Consequence) om cliënten te helpen hun automatische negatieve gedachten te herkennen en alternatieve interpretaties te ontwikkelen. |
| 2. Situaties herinterpreteren | Stel cliënten de vraag: “Welk positief aspect van deze situatie heb je mogelijk over het hoofd gezien?” |
| 3. Dagboek voor positieve reflecties | Moedig cliënten aan om dagelijks één situatie op te schrijven waarin ze een negatieve gedachte hebben omgezet naar een positieve. |
| 1. Reflecteren op recente uitdagingen | Bespreek tijdens coachingssessies recente moeilijkheden en verken samen alternatieve perspectieven. |
| 2. Real-time herkadering oefenen | Begeleid cliënten bij het direct herkaderen van negatieve gedachten tijdens de sessie. |
| 3. Gebruik van visuele hulpmiddelen | Gebruik kaarten of lijsten met voorbeeldgedachten om cliënten te ondersteunen bij het herkaderen. |
Zelfeffectiviteit – het vertrouwen in je eigen kunnen – is een belangrijke voorspeller van gedragsverandering. Onderzoek toont aan dat een sterker gevoel van zelfeffectiviteit zorgt voor meer motivatie en consistenter gedrag (Luszczynska et al., 2005).
| 1. Creëren van succeservaringen | Begin met kleine, haalbare doelen en help cliënten reflecteren op hun successen. |
| 2. Positieve feedback geven | Geef gerichte en opbouwende complimenten over specifieke inspanningen en vooruitgang. |
| 3. Modeling gebruiken | Deel voorbeelden van mensen die soortgelijke uitdagingen hebben overwonnen als inspiratie voor cliënten. |
| 1. Reflecteren op successen | Help cliënten terugblikken op eerdere prestaties en identificeer welke specifieke vaardigheden hebben bijgedragen aan hun succes. |
| 2. Opstellen van concrete stappen | Ontwikkel samen nieuwe, realistische doelen die voortbouwen op eerdere successen. |
De fysieke en sociale omgeving bepalen in grote mate welk gedrag haalbaar is. Een omgeving die gezonde keuzes stimuleert, vergroot de kans op duurzame gedragsverandering (Sallis et al., 2012).
| 1. Sociale steun activeren | Stimuleer cliënten om steun te zoeken bij familie en vrienden, en moedig hen aan om samen hun doelen te bespreken. |
| 2. Fysieke omgeving aanpassen | Adviseer concrete aanpassingen in de omgeving, zoals het zichtbaar plaatsen van gezonde snacks en het weghouden van ongezonde opties. |
| 3. Communicatieve vaardigheden versterken | Leer cliënten om assertief voor hun behoeften uit te komen in sociale situaties, bijvoorbeeld bij het aangeven van dieetvoorkeuren tijdens gezamenlijke maaltijden. |
| 1. Omgevingsscan | Laat cliënten een “omgevingsscan” maken om obstakels en ondersteunende factoren in kaart te brengen. |
| 2. Aanpassingen doorvoeren | Werk samen aan concrete aanpassingen in zowel de fysieke als sociale omgeving. |
Dit hoofdstuk bouwt voort op psychologie en omgeving uit module 1. Het is daarom raadzaam om een nieuwe mindmap te maken waarin je dit hoofdstuk samenvat én koppelingen maakt naar module 1: Sociale omgeving en psychologie.
Wil je je kennis over het maken van samenvattingen opfrissen? Bekijk dan gerust de video nog een keer.
https://vimeo.com/1042746534?share=copy
Reflecteren op obstakels: Laat cliënten recente uitdagingen benoemen en alternatieve manieren bedenken om ermee om te gaan.
Cognitieve flexibiliteit oefenen: Gebruik “als…dan”-plannen om cliënten te helpen op obstakels te anticiperen.
Kernwaarden identificeren: Help cliënten om hun persoonlijke waarden te benoemen en hieraan vast te houden, zelfs bij tegenslagen.
Risicosituaties identificeren: Bespreek sociale druk, stress of omgevingsfactoren die kunnen leiden tot terugval. Vraag cliënten naar veelvoorkomende uitdagingen, zoals eetgewoonten tijdens sociale evenementen of emoties die tot impulsief gedrag leiden.
Copingstrategieën ontwikkelen: Stimuleer cliënten om alternatieven te bedenken, zoals een wandeling maken in plaats van emotioneel eten, of ademhalingstechnieken gebruiken bij stress.
Terugval reframen: Behandel een terugval als een kans om gedragspatronen beter te begrijpen. Vraag: “Wat kun je leren van deze situatie?”
Gebruik van implementatie-intenties: Stel samen “als…dan”-plannen op, zoals: “Als ik trek krijg om te snacken, dan drink ik eerst een glas water.”
Simulaties en rollenspellen: Speel risico situaties na om vervolgens anders te leren reageren.
Dagboek bijhouden: Moedig cliënten aan om triggers en reflecties vast te leggen, zodat patronen en gedrag beter zichtbaar worden.
Motiverende reminders: Gebruik visuele cues of affirmaties, zoals post-its met motiverende boodschappen, op plekken waar terugval vaak voorkomt.
Zelfcompassie-oefeningen: Laat cliënten opschrijven wat ze tegen een vriend zouden zeggen in een vergelijkbare situatie en dit toepassen op zichzelf.
Mindfulness integreren: Introduceer korte meditaties gericht op zelfcompassie en bewustzijn zonder oordeel.
Herformuleren van zelfkritiek: Stimuleer cliënten om negatieve gedachten te vervangen door compassievolle alternatieven, zoals: “Ik leer van mijn fouten.”
Negatieve gedachten uitdagen: Gebruik het ABC-model (Activating event, Belief, Consequence) om cliënten te laten reflecteren op automatische negatieve gedachten en alternatieve interpretaties te ontwikkelen.
Situaties herinterpreteren: Vraag cliënten: “Wat is één positief aspect aan deze situatie dat je eerder niet hebt gezien?”
Dagboek voor positieve reflecties: Stimuleer cliënten om dagelijks één situatie te noteren waarin ze een negatieve gedachte herkaderden.
Reflecteren op recente uitdagingen: Bespreek tijdens sessies recente moeilijkheden en ontdek samen alternatieve perspectieven.
Real-time herkadering oefenen: Werk met cliënten aan het direct herkaderen van negatieve gedachten tijdens een sessie.
Gebruik van visuele hulpmiddelen: Introduceer kaarten of lijsten met voorbeeldgedachten die cliënten kunnen helpen bij het herkaderen.
Creëren van succeservaringen: Begin met kleine, haalbare doelen en laat cliënten reflecteren op hun succes.
Positieve feedback geven: Geef specifiek en opbouwend complimenten over inspanningen en vooruitgang.
Modeling gebruiken: Laat voorbeelden zien van mensen die vergelijkbare uitdagingen hebben overwonnen om cliënten te inspireren.
Reflecteren op successen: Laat cliënten terugkijken op eerdere prestaties en laat ze ontdekken welke vaardigheden hebben bijgedragen aan hun succes.
Opstellen van concrete stappen: Plan samen nieuwe, haalbare doelen die voortbouwen op eerdere successen.
Sociale steun activeren: Moedig cliënten aan om steun te vragen van familie en vrienden en samen doelen te bespreken.
Fysieke omgeving aanpassen: Adviseer praktische veranderingen, zoals gezonde snacks in het zicht plaatsen en ongezonde snacks uit het zicht houden.
Omgevingsscan uitvoeren: Laat cliënten obstakels en ondersteunende factoren in kaart brengen en werk samen aan concrete aanpassingen.
Cheng, C., et al. (2014). Coping flexibility and psychological adjustment. Psychological Bulletin, 140(6), 1582-1607.
Dweck, C. S. (2006). Mindset: The new psychology of success. Random House.
Ferrari, M., et al. (2019). Self-compassion interventions and psychosocial outcomes. Mindfulness, 10(8), 1455-1473.
Hayes, S. C., et al. (2006). Acceptance and commitment therapy: An experiential approach to behavior change. Guilford Press.
Hofmann, S. G., et al. (2012). The efficacy of cognitive behavioral therapy: A review of meta-analyses. Cognitive Therapy and Research, 36(5), 427-440.
Luszczynska, A., et al. (2005). Self-efficacy as a moderator of intervention effects. Health Psychology, 24(5), 507-514.
MacBeth, A., & Gumley, A. (2012). Exploring compassion. Clinical Psychology Review, 32(6), 545-552.
Marlatt, G. A., & Gordon, J. R. (1985). Relapse Prevention: Maintenance Strategies in the Treatment of Addictive Behaviors. Guilford Press.
Sallis, J. F., et al. (2012). Role of built environments in physical activity, obesity, and cardiovascular disease. Circulation, 125(5), 729-737.
Shiffman, S., et al. (2000). Relapse prevention in the long-term treatment of obesity. Behavior Therapy, 31(4), 571-580.