Begrippenlijst (voorbeeld)

Content zoeken

Hero
  1. Aantrekkingskracht – een aantrekkingskracht die ervoor zorgt dat we op de grond blijven staan en niet zweven.

 

  1. Abductie – van het midden af of wegvoeren.

 

  1. Adductie – naar het midden toe of bijvoegen.

 

  1. Anteflexie – naar voren of van het lichaam af.

 

  1. Anterior pelvic tilt – voorwaarts kantelen van de heup.

 

  1. Angulaire bewegingsvorm – een aantal of alle delen van een lichaam draaien over dezelfde hoek rond een rotatie as. Als de beweging helemaal afgemaakt zou worden zou de baan van het lichaam een perfecte cirkel zijn. De beweging wordt ook wel rotationeel (rond rotatieas) of circulair genoemd.

 

  1. Bar path – de weg die de stang aflegt van de start naar de eindpositie.

 

  1. Bilateraal – tweezijdig (bijvoorbeeld het doen van een oefening met twee armen of benen).

 

  1. Biomechanica – de leer van krachten die wij kunnen uitoefenen op een object of onze omgeving en de krachten die werken op ons en andere organismen; dit met de focus op het moment voor, tijdens of na beweging.

 

  1. Butt wink – bij een squat een achterwaartse kanteling van het bekken optreedt, waardoor de lumbale wervelkolom in flexie komt.

 

  1. Contactkracht – ons contact met de vloer, wat ervoor zorgt dat we niet dieper in de grond kunnen zakken.

 

  1. Draaipunt – het fulcrum, steunpunt of de rotatieas.

 

  1. Dynamisch – een disbalans van krachten op het lichaam. Dit is het geval wanneer iemand exponentieel versnelt of vertraagt.

 

  1. Dynamische valgus – een deelbeweging waarbij het naar binnen bewegen (adductie en endorotatie) van de knie zorgt voor een sterke positie van de heup om kracht te leveren in de opwaartse fase.

 

  1. Extensie – strekken of hollen.

 

  1. Endo – inwendig, naar binnen of intern.

 

  1. Exo – uitwendig, naar buiten of extern.

 

  1. Externe krachten – krachten die op een object inwerken van buitenaf.